Op 3 maart 2010 was de dag van de lokale democratie: gemeenteraadsverkiezingen. Burgers kunnen zich uitspreken over het lokale beleid. Maar niet alleen in het stemhokje kan de burger invloed uitoefenen op gemeentelijk beleid. Dat kan ook via - al dan niet wettelijk geregelde - inspraak. Zoals bij de Wmo. De Wmo verplicht het gemeentebestuur de burger te betrekken bij het voorbereiden en evalueren van haar Wmo-beleid.
Na 3 jaar kijken wij in hoeverre burgers ook daadwerkelijk invloed op het beleid hebben kunnen uitoefenen en in hoeverre nieuwe ontwikkelingen – zoals gemeentelijk samenwerkingsorganen – bedreigend zijn.
Inspraak
De gemeente is volgens artikel 11 Wmo verplicht om inwoners, instelleningen en organisaties te betrekken bij de voorbereiding van het totale Wmo beleid. Naast formele inspraak kunnen burgers ook zelfstandig voorstellen doen en rust er bij de gemeente de plicht om onderzoek te doen naar de behoeften van alle burger, dus ook “de enkelingen, kleine groepen of groepen die hun mening moeilijk kenbaar kunnen maken.”
In artikel 12 Wmo neemt de inspraak concretere vorm aan door te stellen dat de gemeente een plan eerst ter advisering aan vertegenwoordigers van cliënten/patiëntenorganisaties moet voorleggen, voordat het naar de gemeenteraad gaat.
Inspraakorganen
Wie zijn de vertegenwoordiger van cliënten/patiëntenorganisaties en hoe wil de gemeente alle burgers bij het beleid betrekken? Op deze prangende vragen geeft de wet geen antwoord. De gemeente mag zelf bepalen hoe zij de wet uitvoert… als zij de wet maar uitvoert!
Veel gemeenten hebben gekozen voor een Wmo-adviesraad als spreekbuis voor de Wmo-doelgroepen. De wijze waarop de leden worden gekozen en gefaciliteerd verschilt enorm. Er zijn gemeenten waar leden worden gekozen uit belangenbehartigerorganisaties, maar er zijn ook gemeenten waar de leden door de gemeenten zijn aangesteld en op persoonlijke titel zitting nemen.
Knelpunten
Na 3 jaar Wmo en decimeter dikke rapporten, wordt langzamerhand duidelijk dat de invloed van de burger in het beleid beter kan. Lang niet alle groepen burgers worden door de gemeenten betrokken bij het beleid en de burgers die wel met de gemeente in gesprek zijn, vinden dat zij te weinig invloed kunnen uitoefenen.
Moeilijk bereikbare groepen
In de Wmo-evaluatie 'Op weg met de Wmo' staat dat niet alle groepen burgers door de gemeente worden bereikt. Vooral mensen met een verstandelijke beperking of een chronisch psychische aandoening zijn onvoldoende vertegenwoordigd in Wmo-adviesraden. Dak en thuislozen en/of verslaafden zijn zelden in een Wmo-adviesraad vertegenwoordigd.
Een ander probleem is dat Wmo-adviesraden onvoldoende binding hebben met de achterban. Dit geldt zeker voor de Wmo-adviesraden waarvan de leden door de gemeente zijn aangesteld. Staatssecretaris Bussemaker beschrijft dit met de volgende woorden: “Het instellen van Wmo-raden alleen is niet een afdoend antwoord op de verplichting van de gemeenten om burgers te betrekken bij het gemeentelijk beleid. De Wmo-raden (…) kunnen burger- en cliëntenparticipatie niet alleen dragen. Vooral de meer kwetsbare burgers zullen ook op andere manieren betrokken dienen te worden bij het Wmo-beleid.”
Daadwerkelijke invloed
In het rapport ‘Wmo Trendrapport 2010’, is onderzoek gedaan naar de daadwerkelijke invloed van belangenbehartigers in het Wmo-beleid. Volgens het onderzoek voelt slechts een op de vijf burgerorganisaties zich serieus genomen bij de uitvoering van de Wmo. Daarmee zijn burgers nog even weinig bij de Wmo betrokken als bij de introductie van de wet drie jaar geleden.
Gemeentelijke samenwerkingsverbanden
Veel gemeenten zijn op tal van terreinen, waaronder de Wmo, samenwerkingsverbanden met elkaar aangegaan. Ambtenaren van de verschillende gemeenten nemen in een regio-orgaan zitting, waarna het beleid wordt ontwikkeld en vastgesteld. Soms in overleg met de gemeenteraad, soms ook niet.
De reden voor de samenwerking is verklaarbaar. Veel gemeenten zijn klein van omvang en krijgen er van de landelijke overheid alleen maar taken bij. Taken die bovendien steeds ingewikkelder worden.
Het (potentiële) knelpunt zit hem in het democratisch DNA van de regio-organen. Op het moment dat er in regioverbanden beleid wordt vastgesteld, onttrekt het regionale bestuur zich aan iedere vorm van democratische controle. Immers, de gemeenteraden van de betreffende gemeenten worden door een dergelijke constructie grotendeels buiten spel gezet.
Naast de gebrekkige controle van de gemeenteraad zijn er bij VCP signalen binnen gekomen waaruit blijkt dat Wmo-adviesraden en organisaties van lokale belangenbehartigers op onderdelen niet bij het Wmo-beleid worden betrokken.
Op het moment dat Wmo-adviesraden en/of organisaties van lokale belangenbehartigers zich gaan roeren, is het beleid door het regio-orgaan al vastgesteld. Ondanks het feit dat dit in strijd is met artikel 11 Wmo, is het moeilijk voor de eigen gemeente om deze afspraken te veranderen.
Samenvattend kan gezegd worden dat de wil om burgers bij gemeentelijk beleid te betrekken er – zeker in de Wmo – is, maar dat er nog goed over de vorm moet worden nagedacht. Hoe bereik je alle burgers en geef je de burger het gevoel dat zij daadwerkelijk kunnen meedenken en meedoen bij de beleidsvorming. Hiernaast zal de positie van de burgers binnen de grotere samenwerkingsverbanden goed verankerd moeten worden.
Christiaan Dol is werkzaam bij VCP.
[bron: Juris]





