Wat is leerlingenvervoer? Vrijwel iedere gemeente organiseert aangepast vervoer voor leerlingen. De invulling verschilt echter per gemeente. Bijvoorbeeld wat ouders zelf moeten bijdragen. De voorwaarden en regels liggen vast in een verordening. Op deze pagina’s staan ze globaal beschreven.
- Leerlingenvervoer
- Voorwaarden
- Vervoer naar opvang buiten de eigen woning
- Leerlingenvervoer in schema
Leerlingenvervoer
Vrijwel iedere gemeente organiseert aangepast vervoer voor leerlingen. Ouders kunnen hier gebruik van maken als hun kind een beperking heeft of als de school die bij hun levensovertuiging past ver weg ligt. Zij kunnen ook een vergoeding ontvangen voor vervoer. De gemeente bepaalt of zij de aanvraag van ouders honoreert.
Vormen van vervoer
In de praktijk zijn er globaal 3 vormen van leerlingenvervoer:
- De gemeente verstrekt een openbaar vervoerabonnement aan de leerling en eventuele begeleider of geeft hiervoor een vergoeding.
- Ouders krijgen een vergoeding voor het zelf halen en brengen van hun kind.
- De gemeente zorgt voor georganiseerd vervoer met een bus of taxi, ook wel ‘aangepast vervoer’ genoemd.
Schooltypen
De regelingen voor aangepast leerlingenvervoer zijn er voor ouders van wie het kind gebruik maakt van één van de volgende schooltypen:
- Basisonderwijs: reguliere basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs
- Speciaal onderwijs: (voortgezet) speciaal onderwijs (scholen in het kader van de Wet op de Expertisecentra, zoals zmlk en vso-zmk, zmok en vso-zmok, mytyl- en tyltylonderwijs, scholen voor kinderen met een zintuiglijke handicap, mg en vso-mg),
- Voortgezet onderwijs; regulier voortgezet onderwijs, inclusief het Leerweg ondersteunend Onderwijs (Lwoo) en het Praktijkonderwijs (PrO).
Voor de verschillende schooltypes gelden verschillende regelingen.
Verordening
Gemeenten leggen de regels voor het leerlingenvervoer vast in een verordening leerlingenvervoer. Gemeenten baseren zich daarbij meestal op de uit het Handboek Leerlingenvervoer van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.
In deze modelverordening is de wettelijke zorgplicht het uitgangspunt. Er is sprake van lokale beleidsvrijheid. Hierdoor kent het beleid en de uitvoering van het leerlingenvervoer in gemeenten grote onderlinge verschillen.
Passend vervoer
Een definitie van passend vervoer is niet in de wet vastgelegd. In de wet is slechts opgenomen dat het leerlingenvervoer zo georganiseerd moet zijn dat de school op een voor de leerling passende manier kan worden bereikt. Daarnaast staat in de wet dat:
- De gemeente het vervoer vergoedt naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school. Hierbij wordt uitgegaan van de kortste, voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg.
- Er geen onderscheid is tussen openbaar en bijzonder onderwijs.
- De op godsdienst of levensbeschouwing van de ouders berustende keuze voor een school van de ouders wordt gerespecteerd. De gemeente heeft dus de wettelijke taak om te zorgen voor passend vervoer naar de dichtstbijzijnde school die past bij de levensovertuiging van de ouders. Kiezen ouders op andere gronden voor een school, bijvoorbeeld om onderwijsinhoudelijke redenen, dan is de gemeente niet verplicht het vervoer toe te kennen. De gemeente kan dan beslissen het vervoer niet of gedeeltelijk te betalen.
Voorwaarden
Openbaar vervoer als uitgangspunt
Elke leerling wordt geacht gebruik te maken van het openbaar vervoer. Dat is het uitgangspunt voor het verzorgen van passend vervoer. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) stelt in haar modelverordening dat kinderen tot 9 jaar begeleiding nodig hebben in het openbaar vervoer.
Kunnen leerlingen door hun beperking geen gebruik maken van openbaar vervoer, dan komen zij in aanmerking voor aangepast vervoer of een vergoeding.
Aangepast vervoer of een vergoeding
Als ouders aanvoeren dat hun kind op grond van zijn beperking geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer, dan moeten zij dat onderbouwen. Burgemeester en wethouders kunnen eventueel nader advies hierover inwinnen. Ouders moeten aan een onderzoek meewerken. Zij mogen dit alleen weigeren als er een gegronde reden voor is.
Kilometergrens
Om aanspraak te kunnen maken op leerlingenvervoer moet de school minimaal op een bepaalde afstand van de woning liggen. Dat is de zogenaamde kilometergrens. Gemeenten kunnen per schoolsoort een verschillende kilometergrens instellen. De kilometergrens is dus afhankelijk van de gemeente, maar maximaal zes kilometer. Deze grens geldt meestal niet voor leerlingen van het reguliere onderwijs die vanwege een handicap niet (zelfstandig) gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer. Zij kunnen ook daarbinnen aanspraak maken op leerlingenvervoer.
Leeftijdgrens
Een gemeente kan een leeftijdsgrens hanteren. Tot 9 jaar hebben kinderen recht op openbaar vervoer met begeleiding. Gemeenten bepalen vaak dat kinderen boven een bepaalde leeftijd (meestal 9 jaar) in staat geacht worden zelfstandig of onder begeleiding te reizen. Vanaf die leeftijd verzorgen zij geen aangepast vervoer meer. De peildatum is augustus van het betreffende schooljaar. Het vervoer moet altijd passend zijn. De gemeente moet rekening houden met de specifieke behoeften van het kind.
Drempelbedrag
Ouders moeten soms bijdragen aan de kosten van het leerlingenvervoer. Zij betalen een drempelbedrag en soms ook bijdrage die afhankelijk is van hun draagkracht. Voor de verschillende schooltypen gelden verschillende regels voor die bijdrage aan het leerlingenvervoer. Ouders van kinderen met een beperking betalen niets.
Gekoppeld aan kilometergrens
Het drempelbedrag is gekoppeld aan de kilometergrens die de gemeente hanteert. De gemeente kan daarvoor een tarief hanteren dat overeenkomt met een busabonnement voor 1, 2 of 3 zones. Dit is afhankelijk van de afstand van de woning tot de kilometergrens. De bedragen worden jaarlijks aangepast.
Inkomensgrens
De gemeente heft een drempelbedrag als het inkomen van de ouders in het schooljaar 2010 – 2011 meer dan € 23.400 is. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd. De gemeente hoeft trouwens niet persé een bijdrage te vragen.
Draagkrachtafhankelijke eigen bijdragen 2010/2011
Gemeenten kunnen bij bepaalde schooltypen kiezen voor een jaarlijkse bijdrage die afhangt van het inkomen van beide ouders gezamenlijk. De afstand tot de school moet dan meer dan 20 kilometer zijn.
|
Inkomen in euro's |
Eigen bijdragen in euro's |
| 0-31.000 | Nihil |
| 31.000-37.500 | 125 |
| 37.500-43.500 | 520 |
| 43.500-49.000 | 960 |
| 49.000-56.000 | 1.405 |
| 56.000-62.000 | 1.855 |
| 62.000 en verder | Voor elke extra € 4.500: € 455 erbij |
Vervoer naar opvang buiten de eigen woning
In Nederland maken veel kinderen met een handicap gebruik van verschillende vormen van weekendopvang, logeren of vakantieopvang. Ook kan er sprake zijn van korte verblijfsopvang in een crisissituatie. Deze voorzieningen zijn bedoeld om de het gezin te ontlasten. Ze worden gefinancierd vanuit de AWBZ (Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten) of met een PGB (Persoons Gebonden Budget). Kinderen hebben daarvoor een indicatie nodig.
Toepassing verordening
Strikt genomen valt een logeerhuis of andere vorm van opvang niet onder het begrip ‘woning’, zoals de modelverordening leerlingenvervoer dat definieert. Het is immers niet de plek waar de leerling zijn hoofdverblijf heeft. Als het vervoer van logeerhuis naar school en terug past in vervoer dat de gemeente aanbiedt, kan de leerling daar echter gebruik van maken. Voorwaarde is wel dat de gemeente de verordening als zodanig toepast.
Er kan ook voor gekozen worden de bekostiging van de vervoerskosten tussen de (ouderlijke) woning en de school door te betalen, ondanks het tijdelijke verblijf elders. Als een kind gedurende langere tijd, dus structureel, in een logeerhuis verblijft, dan moet dat als feitelijk verblijf worden aangemerkt.
Platform VG en de CG-Raad vinden dat kinderen met een beperking ook moeten beschikken over leerlingenvervoer als zij gebruik maken van geïndiceerde vormen van opvang. Zij zetten zich daar in de richting van de Rijksoverheid voor in.
Weekend- en vakantievervoer
Sommige leerlingen verblijven in een instelling of een pleeggezin zodat zij passend speciaal onderwijs kunnen volgen. De gemeente moet dan het weekend- en vakantievervoer naar het ouderlijk huis vergoeden. En vice versa. Dit gaat alleen op als het kind elders verblijft vanwege het volgen van speciaal onderwijs. Een kind dat om sociaal-medische redenen elders woont en daar ook onderwijs volgt, komt niet voor deze vergoeding in aanmerking.
Kinderen met een beperking
| Kinderen op het (voortgezet) speciaal onderwijs (Wec) | Kinderen op het regulier basis- en het regulier voortgezet onderwijs, het speciaal basis onderwijs, het leerwegondersteunend en praktijkonderwijs. (Wpo/Wvo) | |
| Drempelbedrag | nee | nee |
| Kilometergrens | - tot een wettelijk maximum van 6 km
- tot aan de km-grens: kosten voor eigen rekening |
|
| Eigen bijdrage naar draagkracht | nee | nee |
| Leeftijdsgrens |
Facultatief, mits passend. Tot 9 jaar hebben kinderen recht op openbaar vervoer met begeleiding |
Facultatief, mits passend. Tot 9 jaar hebben kinderen recht op openbaar vervoer met begeleiding |
Kinderen zonder beperking
| Kinderen die gebruik maken van het basisonderwijs: reguliere basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs (Wpo), bv. kinderen met een leerachterstand | |
| Drempelbedrag |
- facultatief (gemeente) |
| Kilometergrens |
- tot een wettelijk maximum van 6 km |
| Eigen bijdrage naar draagkracht | - ja, als de afstand tot het reguliere onderwijs meer dan 20 km is - nee, als de afstand tot de speciale school voor het basisonderwijs meer dan 20 km is - vergoeding minus draagkrachtafhankelijke bijdrage |
| Leeftijdsgrens | - facultatief, mits passend. - tot 9 jaar hebben kinderen recht op openbaar vervoer met begeleiding (model VNG). |
Bron: Startersmap adviesraden leerlingenvervoer





